Duizeligheid kent een grote diversiteit aan klachten en daarmee veel mogelijke oorzaken. Enkele factoren zijn bij alle vormen van belang. Het functioneren van de evenwichtsorganen, de oogbewegingen, de nek- en wervelkolom. Daarnaast speelt de bloedsuikerspiegel, de inname van water, ademhaling (hyperventilatie) en bloedtoevoer (ook bloeddruk) ook een belangrijke rol.

Duizeligheid kent vele vormen en kan bestaan uit:

  • Licht gevoel in het hoofd
  • Neiging tot flauwvallen
  • De wereld zien draaien
  • Gevoel van draaien
  • Verliezen van het evenwicht
  • Wankel zijn
  • Zwarte vlekken zien
  • Wazig/dubbel zien
  • Moeite met scherpstellen
  • Vreemd gevoel onder de voeten (op watten lopen)

Verstoringen in deze systemen kunnen duizeligheid veroorzaken. Middels de functioneel neurologische specialisatie zijn we in staat de samenwerking van de betrokken zaken nauwkeurig in beeld te brengen om vervolgens een juiste behandelwijze op te stellen.

Fysiologie
Een belangrijke stap naar een verklaring voor duizeligheid is het begrip van de structuren en hun functie in ons lichaam en de hersenen. De belangrijkste structuren die actief zijn tijdens het behoud van evenwicht zijn:

  • Evenwichtsorganen
  • Visuele systeem (ogen)
  • Proprioceptieve systeem (spieren, gewrichten en huid)
  • Autonome systeem (stofwisseling en doorbloeding)

Zonder kennis van deze vier systemen en de onderlinge relatie is het nagenoeg onmogelijk om goed te oordelen over klachten als duizeligheid.

Hieronder vindt een korte beschrijving plaats van de 4 bovengenoemde structuren en systemen.

  • De evenwichtsorganen
    Deze organen registreren versnelling en vertraging van hoofdbewegingen. De orientatie van het evenwichtsorgaan is zodanig dat het alle richtingen van bewegen kan beoordelen.
  • Het visuele systeem
    De ogen laten ons orienteren in de ruimte. Zo kunnen we zien waar we zijn, waar we naar toe gaan en met welke snelheid.
  • Het proprioceptieve systeem
    Het gevoel uit de spieren en gewrichten – vooral uit wervelkolom, benen en voeten – en vertelt ons in welke positie het lichaam zich bevindt en met welke snelheid de onafhankelijke ledematen zich bewegen.
  • Het autonome systeem
    Het reguleert onder meer de bloeddruk en hartfunctie. De hersenen zijn extreem zuurstofgevoelig, waardoor de toevoer heel constant moet blijven. Een lichte verstoring van slechts enkele seconden geeft al symptomen.

Centrale zenuwstelsel
Alle informatie uit bovengenoemde zenuwstructuren worden geintegreerd in het centraal zenuwstelsel. Informatie uit de evenwichtsorganen wordt getransporteerd via hersenzenuw 8 en arriveert vervolgens in het middelste deel van de hersenstam, de pons. De informatie uit de ogen verloopt via hersenzenuw 2 richting het bovenste deel van de hersenstam, het mesencephalon.

Informatie vanuit de spieren en gewrichten, de propriocepsis, verloopt voornamelijk via het achterste deel van het ruggenmerg naar boven waar het in de hersenstam uitkomt. Het autonome zenuwstelsel verstuurt informatie onder meer via de hersenzenuw 10. Deze informatie komt binnen in het onderste deel van de hersenstam, de medulla. Al deze informatie wordt geintegreerd in de reticulaire formatie van de hersenstam en heeft daarmee gelijk invloed op elkaar.

Intregratie in het centraal zenuwstelsel en plasticiteit

Alle informatie van de buitenwereld en vanuit het lichaam wordt geregistreerd, geanalyseerd en verwerkt in het centrale zenuwstelsel. Er is GEEN structuur in het lichaam die niet onder supervisie staat van het centrale zenuwstelsel. Het behouden van de balans is een proces dat plaatsvindt in het centraal zenuwstelsel. Het is een zeer complex integratieproces van eerder genoemde structuren en informatie. Vele malen per seconde wordt er opnieuw afgestemd op een veranderde situatie. De complexiteit van het menselijk brein stelt ons in staat om te functioneren op twee benen en tegelijkertijd de twee armen over te houden als ‘gereedschap’.

Balans is dus een continu proces en geen statisch gegeven. Het centrale zenuwstelsel krijgt continu informatie over de geleverde prestatie en activiteit om het vervolgens verbeterd aan te sturen. Het is daarmee voortdurend onderhevig aan verandering en het brein past zich daar op aan.

Dit proces is dus uiterst trainbaar. Trainbaarheid is het aanpassend vermogen van de betrokken structuren op een verbeterde functie. Zelfs als er enkele structuren slechter functioneren of kapot zijn is het brein in staat te compenseren voor het behoud van de functie. Dit aanpassende vermogen wordt ook wel neuroplasticiteit genoemd.